Een geweldig goed gesprek

Geweldig zo’n goed gesprek!

Hoe gewelddadig kan een gewoon gesprek, een zakelijke meeting of een training zijn? Hoe kan een gesprek bij een etentje met vrienden gewelddadig zijn? Dat kan toch eigenlijk niet en als het al gewelddadig is, dan is het omdat iemand persoonlijk wordt aangevallen, gepest of ‘afgestraft’. Toch verwacht ik niet dat ik de enige ben die een gesprek, een meeting of een training wel degelijk als gewelddadig ervaart, zelfs wanneer persoonlijke aanvallen, pesterijen en afstraffingen afwezig zijn. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik volledig wordt overdonderd, dat het mij niet lukt om eraan te pas te komen en/of alles gedomineerd wordt door iets of iemand anders, ongeacht de rol die ik zelf speel. Hoewel ik mijzelf als gesprekleider meer vrijheid gun om dergelijke gewelddadigheden tijdig te ondervangen en op elegante wijze te doorbreken, gebeurt het wel eens dat ik volledig overmand wordt door de dominantie van een ander, zelfs als ik de touwtjes in handen hoor te hebben. Vaak openbaart het zich in een monoloog van één persoon, die zowel inhoud als vorm bepaalt. Soms zie je dat iemand via een vraag en antwoordspel, veel anderen aan het woord laat, maar toch overdonderend is, omdat het geen gezamenlijk fenomeen is, maar een directief fenomeen. Met als resultaat: ongemak bij de overige aanwezigen, een gesprek dat in niets op een gesprek lijkt en een onvermogen van alle deelnemers om dit te veranderen.

Toch is niet iedere monoloog of voordracht gewelddadig, vaak kan dit ook heel plezierig zijn, juist omdat ze nieuwe werelden kan openen of gewoon omdat iemand plezierig kan vertellen, waardoor het geheel niet gewelddadig, maar juist verruimend en vermakelijk is. Wat maakt een ogenschijnlijk gewone bijeenkomst van mensen gewelddadig? Wanneer is ze groter dan ik zelf ben? Of zelfs, wanneer kan één persoon over vijf of zes anderen heen blazen, zonder dat er nog iemand anders eigen initiatief kan tonen? Dit kan ook op veel kleinere schaal plaatsvinden, een individu - een eenling - kan in een groep het gevoel hebben, nooit te kunnen bijdragen, terwijl hij dat wel graag zou willen. Terwijl al die anderen tonen dat hier wel ruimte voor is; het gesprek kenmerkt zich door openheid en eigen initiatief, maar die ene persoon weet maar niet aan de bak te komen. Kennelijk is geweld (dat wat groter is dan een zelf) niet altijd direct zichtbaar.
Hoe kun je je hier tegen wapenen? Dat wat groter is dan het zelf spreekt over twee kanten, namelijk over het grotere en het kleinere. Om het geweld op te heffen moet dus deze verhouding wijzigen. Een wipwap in speeltuin werkt het beste wanneer de twee kinderen ongeveer even zwaar zijn.
De wipwap die ongelijk verdeeld is, is direct herkenbaar en menig ouder weet hoe ze dit elegant kan oplossen. De gewelddadige setting zet mij, of ik dat nu wil of niet, aan tot verwondering. Het stokt mijn denken en het grote vraagteken ontstaat. Boos kan ik er niet om worden, maar soms voel ik me verslagen. Een dergelijk gesprek doet mij niet alleen verstommen door het praktische gebrek aan ruimte om te spreken, maar ook omdat het gebeuren zelf mij met stomheid slaat. Vervolgens ontstaat er een zoektocht naar mogelijkheden om de setting te breken (ook dat is wellicht gewelddadig), zeker wanneer ik ook wat wanhoop meen te ontdekken bij de andere aanwezigen.

De verwondering blijft echter overheersen: is een gesprek (een conversatie) als een balspel, waarbij ieder elkaar de bal toespeelt en iedereen de bal krijgt of is het een balspel waarin een persoon vooral probeert de bal voor zichzelf te houden, deze niet door gooit en daarmee iedere vorm van samenspel weet te voorkomen? Gaat het het erom dat je anderen laat spreken en luistert of dat je zelf het hoogste woord voert? Gek genoeg kunnen deze prima samengaan. Wanneer ik de ander laat spreken en ik luister, kan de ander rustig het hoogste woord voeren. Geen vuiltje aan de lucht zou je zo zeggen. Kennelijk is er een verschil tussen iemand de bal toespelen of de bal opeisen. In het laatste geval trekt iemand je de bal uit handen, nog voordat je hebt kunnen gooien.
Als een zakelijke meeting geen dialoog is, maar een monoloog, of wellicht een vraag- en antwoordspel omdat de één vragen stelt en de anderen slechts antwoorden mogen geven, wat is dan de meerwaarde van zo’n meeting? Hoe kan daar ooit een gemeenschappelijk spel ontstaan? Als een trainer over de deelnemers heen blaast of een deelnemer de leidende rol op zich neemt, wat is dan nog de meerwaarde van zo’n training? Mijn verwondering richt zich vooral op het ‘hoe kan dit zo vorm krijgen?’ Wat gebeurt er, dat dit zo kan ontstaan? Wat gebeurt er bij de betrokken personen, zij die toekijken en zij die domineren? En bij wie ligt de verantwoordelijkheid om dit te breken (te voorkomen)? En vooral hoe doe je dit elegant? Want als het elegant gebeurt, dan kan iedereen het doen? Maar kan dit überhaupt wel elegant? En als ik het breek, in hoeverre blaas ik dan over de ander heen? Doe ik dan niet hetzelfde? Een gesprekleider heeft een duidelijk doel, namelijk het verzorgen van het spel waarbij de bal rond gaat. De trainer moet zorgen voor de aansluiting van alle betrokken personen, en moet een eventuele mismatch constateren en bespreken (individueel of in de groep). De rollen zijn duidelijk en dat creëert een verwachtingspatroon. Maar het is een verwachting niet altijd eenvoudig of elegant te vervullen is.

Wij hebben intern een code - een naam -, die voor ons de volgende betekenis heeft: ‘je zit op de praatstoel en je blaast iedereen omver’. Deze werkt als een interne waakhond, die moet bijdragen aan de kwaliteit van het gesprek, de meeting en/of de training. Een elegante manier om een niet gewenste situatie te wijzigen, een manier om te zonder veel worden te zeggen: gooi de bal eens over naar een ander. Enthousiasme kan toeslaan zonder dat je er erg in hebt en een klein signaal is afdoende om tot samenspel te komen. Dit schrijvende komt er een herinnering bij mij boven en gelukkig was ik toen de toeschouwer. Als trainer bij de scouting keek ik toe hoe een andere trainer volledig het contact verloor met de groep en dat waar hij mee bezig was. Hij bleef maar ratelen. Wij stonden achterin te seinen voor een time-out en zelfs dat kwam niet aan. Het contact met de omgeving was volledig verbroken. In hoeverre werkt een codewoord nog wanneer de spreker ieder contact met de wereld verloren heeft? Dit ratelen werd niet veroorzaakt door enthousiasme, maar door onmacht en onvermogen. De persoon was zijn draad kwijt en werd al maar wanhopiger, omdat hij ze niet meer kon vinden.

Het is wellicht dit gebrek aan contact wat de setting zo gewelddadig maakt. Een geanimeerde spreker heeft contact met zijn omgeving. Vragen kunnen gevuurd worden maar ook vanuit interesse gesteld worden. Een spreker kan zoeken en hij kan stellen. De zoeker nodigt uit om mee te zoeken, hardop of in gedachten. Iemand die zijn stellingen poneert zonder ruimte voor de ander, drijft een ander van zich af en kan wellicht zijn verhaal goed onderbouwd hebben, maar mist dan toch zijn gehoor omdat niemand meer kan luisteren. De retorica als de kunst van het spreken - desnoods als de kunst van het gelijk krijgen - wijst op het goede gesprek waarin de ander vrijwillig mee beweegt en iedere vorm van dwang averechts werkt. Wat is een gelijk waard wanneer het afgedwongen wordt met een zwaard? Conversatie als een onderdeel van de etiquette, omdat je er altijd voor moet zorgen dat de ander zich op zijn gemak en welkom voelt. De deugden onderhoudend zijn en welbespraaktheid zijn soms ver te zoeken. De confrontatie met de afwezigheid van deze deugden zet mij na de verwondering aan het denken. Ze zet aan tot zorgvuldigheid, alertheid en oplettendheid. Maar is dat genoeg? Stress (als een overmaat aan prikkels) draait als eerste zorgvuldigheid, daarna alertheid en vervolgens oplettendheid de nek om, en dan overheerst geweld - dat wat groter is -, niet omdat dit wenselijk is, maar omdat we onmachtig zijn om het niet te zijn.