Bergson: "there is no common measure between mind and language."

De ruïne van een stad

“Waar leven we bij de ethica als in de ruïne van een stad, waarin het ene geslacht zich hier, het andere zich daar armoedig huisvest?”

Schweitzer vraagt zich in 1923 af hoe het kan, dat we in het moreel en zedelijk handelen over de afgelopen twee duizend nauwelijks tot geen vetuitgang hebben geboekt. Dit in tegenstelling tot de vooruitgang die we geboekt hebben op het gebied van wetenschap en techniek.

Gabriel, vraagt zich in zijn “Ondergang van de de wijsheid” (1965) af, wat vooruitgang precies is. In de laatste eeuwen lijkt vooruitgang louter in technisch en/of wetenschappelijk context beschouwd te worden. Deze vooruitgang wordt dan zonder enig probleem getransponeerd naar algemeen menselijke vooruitgang, maar het is maar de vraag of dat terecht is.

Wat is vooruitgang en hoe kan het dat we - als we ons moreel handelen beschouwen - niet of nauwelijks veranderen?

verwachtingen betreffende onze toekomst

“We zijn voor onze relatie met het heden afhankelijk van ons beeld van de toekomst.”

vrij naar: Giovanni Borradori in gesprek met Habermas en Derrida.

Wanneer we geen positief beeld hebben van onze toekomst, zoals dat bijvoorbeeld in de koude oorlog het geval is, en nu ook weer in deze tijd van terreur, dan zegt dat direct iets over onze relatie met het heden. Deze relatie is dan ook bedenkelijk, onzeker en onduidelijk. We weten dat ook in het heden niet meer wat we moeten doen en mogen verwachten.

Misschien is dat wel zichtbaar is alle boosheid en woede die deze dagen regelmatig de kop op steken. Deze uiten zich op allerlei manieren en naar aanleiding van heel wat verschillende oorzaken. Hierdoor lijkt het op een algeheel van onvrede, maar ook dat blijkt niet echt te kloppen.
Het terroristisch geweld maakt ons onzeker over de toekomst en dus weten we ook vandaag niet wat we van morgen mogen verwachten. Veel dingen zijn dan al gauw onzeker en potentieel bedreigend, niet omdat ze dat in zichzelf zijn, maar omdat ons beeld van de toekomst zo troebel of zelfs gewoonweg een beeld vol met geweld en risico’s is.

Filosofie is zoeken.

Merleau-Ponty zet zich af tegen een filosofie die terugkeert naar tradities. Hij 'gelooft' niet in objectiviteit en rationaliteit, in een beeld op mens en wereld, buiten ons, alsof een god ons bestaan beschouwd. Als er als zoiets is als het goddelijke, dan is dat om ons eraan te herinneren dat we als mens onwetend zijn en dat we moeten blijven zoeken.

Merleau-Ponty plaatst de mens in 'het centrum' van de filosofie; het is de mens die filosofeert en nooit afstand kan nemen van zijn eigen lichamelijkheid en plek die hij in neemt in de wereld. Filosoferen is een constant op en neer bewegen, een opstijgen en afdalen, maar altijd vanuit de plek waar we staan, we kunnen slechts omhoog en naar beneden, en onszelf nooit verlaten.

Een spookachtig bestaan

In De ogen van Plato staat een bijzonder stukje tekst, namelijk: Wat geen schaduw heeft leidt een spookachtig bestaan. Graag wil ik dit stukje plaatsen naast een stukje over de zon op volle middag, zo ter hoogte van de evenaar, een tekst die te vinden is in zijn inleiding in de verwondering. Deze zon is zo fel en plaatst aldus de dingen zo in het volle licht dat ze nauwelijks nog een schaduw hebben (allen onder het ding). En hierbij wil ik graag de allegorie van de grot van Plato in herinnering brengen waarin de ‘gevangenen’ op weg naar het licht is, om uiteindelijk in de zon te kunnen kijken.
Drie stukjes tekst over schaduw en licht die elkaar lastig lijken te verdragen, maar wel binnen hetzelfde gedachtegoed, namelijk van Verhoeven, een plek hebben. Hoe dit te rijmen? of te belichten? Vanuit de metafysische gedachte en de verwondering om het dat er iets is, heeft de werkelijkheid een schaduw, het zonlicht schijnt er niet doorheen.
Hiermee lijken we met Verhoeven een wereld in te stappen van de dingen, concepten hebben dan een spookachtig bestaan. Of zou je kunnen zeggen dat ook concepten een schaduw hebben? Zaken als macht hebben wel degelijk hun weerslag in de werkelijkheid. We spreken dan over een figuurlijke schaduw. Maar ook dat wat schijn is, kan zeer hardnekkig zijn en een figuurlijke schaduw hebben.
De zon, het in het volle licht plaatsen verwijst wellicht ook naar de scheermesmethode die Verhoeven toepast. In zijn beschouwen probeert hij alles weg te snijden wat er niet werkelijk toe doet, wat niet een wezenlijk deel uit maakt van dat wat is. De felle zon doet alles wat er niet toe doet verbleken. In de allegorie staat de zon voor het kale, het zuivere iets, dat wat niet meer te herleiden is tot iets anders, het essentiële en universele tegelijkertijd. Een toestand die niet te realiseren is.

(niet)-origineel

"Er moet in de wereld ruimte blijven voor de originaliteit van niet-originele mensen"

Wellicht is dit een paradox, de niet-originele mens is nl. niet origineel en kan dus per definitie niet niet-origineel zijn. Het is de vraag die na deze zin wordt gesteld door Is. van Dijk, die het geheel wat duidelijker maakt:

"Wat blijft er van een mens over, als men hem zelfs zijn gewone gedachten ontneemt?".

De tekst is te vinden in een boek over Socrates. Heel wat leerlingen van Socrates zetten de socratische methode voort in hun werk, en laten hun zelfs Socrates het woord voeren. Vaak is hierbij onmiskenbaar duidelijk dat de woordvoerder in de gesprekken de naam Socrates draagt, maar eerder een fantasie (of fictief) figuur is, dan de historische Socrates. Mag je het deze auteurs nu kwalijk nemen dat ze niet origineel zijn, zowel in methode als in de keuze van hun gespreksleider?

Overigens verwijt de ene niet-originele leerling de andere niet-originele leerling, niet origineel te zijn, maar is dit erg? In hoeverre moet een mens ten alle tijden origineel zijn? Het grootste gedeelte van onze gedachten zijn niet origineel en vaak weten we niet eens meer waar ze vandaan komen. Het zijn wel deze leerlingen die ons vertellen over Socrates, zonder hen, hadden we helemaal niets geweten.