Bergson: "there is no common measure between mind and language."

Wie ben je?

"The point is that in society everybody must answer the question of what he is - as distinct from the question of who he is -“

Hannah Arendt (1969)

Het citaat gaat als volgt verder: “… which his role is and his function, and the answer of course can never be: I am unique, not because of the implicit arrogance but because the answer would be meaningless.”

Deze tekst van Hannah Arendt is te vinden in haar inleidende tekst over Walter Benjamin bij de uitgave van zijn teksten. Teksten die Hannah Arendt van Benjamin had ontvangen omdat hij het belangrijker vond dat zijn teksten de Duitse vervolging van de joden overleefde dan hijzelf. Hannah Arendt schrijft dit, juist omdat het zo ontzettend moeilijk is om Benjamin te beschrijven als een wat hij is, of als wat hij doet. Arendt concludeert dat hij alleen maar omschrijven kan worden door te beschrijven wat hij niet is, terwijl hij die dingen juist wel doet. Zo zou hij geen filosoof zijn, terwijl hij wel filosofische teksten geschreven heeft en hij algemeen tot de filosofen gerekend wordt. Hij zou geen kunstcriticus zijn maar hij schrijft wel over kunst. Hij zou geen literatuurwetenschapper zijn, maar hij onderzoekt en duidt literatuur. En ga zo maar verder. Arendt concludeert dat het moeilijk is om te beschrijven wie Walter Benjamin is en wat hij gedaan heeft. Over alles wat hij gedaan heeft kan net zo goed gezegd worden dat hij dat niet gedaan heeft.

Een ander boeiend aspect in de citaat betreft het woord 'society'. Kennelijk is dit alleen van toepassing wanneer je een mens aanspreekt of over een ander spreekt binnen een samenleving, de openbare ruimte, en niet in besloten kring. Is het in een besloten kring dan niet belangrijk om te vragen wat iemand is (of wat hij doet)? Of wordt in besloten kring vanzelf duidelijk wie iemand is, en is die vraag niet van toepassing. Arendt heeft Benjamin persoonlijk gekend, zij weet wie hij was. Zij hoeft zich dus geen beeld van hem te vormen op basis van wat hij doet. Zijn zijn heeft voor haar voldoende relevantie, hij is - ook zonder de uitleg wat hij doet - niet betekenisloos en wel degelijk, zonder arrogantie, uniek. Zij weet wie Walter Benjamin is, wat wellicht alleen in zijn naam gevangen kan worden, maar wat voor ieder die hem nooit persoonlijk ontmoet heeft, volledig niets-zeggend is, behalve vanuit een beschrijving wat hij is.

Bij Martin Buber komen we een gelijksoortig onderscheid tegen. Hij schrijft over twee relaties: ik-jij en ik-het. In de ik-jij relatie is er sprake van de ontmoeting waarin geen kennis over de ander ontstaat of reflectie over dat wat er gebeurt. In de ik-het relatie komt juist die functionaliteit wel aan de orde, gaan we wel zoeken naar hoe we de ander kunnen beschrijven, classificeren en rubriceren zodat we hem kunnen duiden. Van een ontmoeting is dan echter geen sprake. De rol van de 'ik' in beide relaties is in beide relaties heel verschillend. Wil er echter sprake zijn van een ik-jij relatie, dan moeten beide personen als zodanig in het hier in nu in die ik-jij relatie staan en niet de ene als ik-jij en de ander als ik-het. Zodra we in de samenleving over anderen spreken, zoals Arendt over Benjamin spreekt in de bovengenoemde tekst, dan is er automatisch sprake van een ik-het relatie en moet Arendt over Benjamin spreken in woorden die de lezer kan bijgrijpen, waardoor de lezer Benjamin kan leren kennen, zonder hem persoonlijk tegen gekomen te zijn. De lezer/toehoorder zal echter nooit Benjamin als uniek ervaren omdat hij alleen maar over hem kan denken in termen die ook op anderen van toepassing zijn. Het is hoogstens de combinatie van verschillende gelijkenissen met anderen waardoor er enige vorm van uniciteit ontstaat.

Lastiger wordt het wanneer we over onszelf gaan nadenken, op zoek gaan naar zelfkennis. We kunnen onszelf alleen maar kennen door onszelf te beschouwen, dus in een ik-het relatie tot onszelf te gaan staan, waarmee we automatisch terechtkomen in algemeenheden (waarin we op anderen lijken, wat we met woorden kunnen beschrijven), maar waarin we direct de ontmoeting met onszelf kwijtraken. Wat dat weer doet vragen naar onze mogelijkheid om onszelf te ontmoeten en de vraag doet oprijzen of we onszelf wel kunnen kennen, zoals we een goede vriend kennen en in de ontmoeting kunnen ervaren. 

Vrijheid van godsdienst en de wet

"Whatsoever is permitted unto any of his subjects for their ordinary use, neither can nor ought to be forbidden by him to any sect of people for their religious uses."

John Locke (1689)

Dit citaat heeft betrekking op vrijheid van godsdienst en is te vinden in A letter concerning toleration. John Locke schreef hierover in 1689, nadat hij een tijd in Nederland had gewoond. De kern van zijn gedachten van vrijheid van godsdienst is verwoord in dit citaat, wat verder wordt toegelicht in een wat uitgebreidere paragraaf:

"By this we see what difference there is between the Church and the Commonwealth. Whatsoever is lawful in the Commonwealth cannot be prohibited by the magistrate in the Church. Whatsoever is permitted unto any of his subjects for their ordinary use, neither can nor ought to be forbidden by him to any sect of people for their religious uses. If any man may lawfully take bread or wine, either sitting or kneeling in his own house, the law ought not to abridge him of the same liberty in his religious worship; though in the Church the use of bread and wine be different and be there applied tot the mysteries of faith and rites of Divine worship. But those things that are prejudicial to the commonweal of a people in their ordinary use and are, therefore, forbidden by laws, those things ought not to be permitted to Churches in there sacred rites. Only the magistrate ought always to be very careful that he do not misuse his authority to oppression of any Church, under pretense of public good."

Kern van de vrijheid van godsdienst is volgens Locke dat er op grond van godsdienst geen voorrechten, maar ook geen inperking van rechten mag optreden. Vanuit het oogpunt van religie is het niet toegestaan om iets te doen wat volgens de wet verboden is, maar het is ook niet mogelijk om iets voor religieuzen te weigeren wat volgens de wet is toegestaan. De laatste zin uit de paragraaf is een heel bijzondere, nl. dat de wetgevende macht nooit zijn macht mag misbruiken om wetten uit te vaardigen op grond van het publieke of algemene belang die louter dienen om religieuze activiteiten aan banden te leggen.

Denken over wat een ander doet

"Mensen die niet tot het plegen van grote misdaden in staat zijn, komen niet makkelijk op de gedachte dat anderen hiertoe wel in staat zijn"

La Rochefoucauld (1663)

Misschien is het niet zo interessant om over grote misdaden na te denken, maar het fenomeen is natuurlijk wel interessant. In hoeverre kunnen we bedenken dat een ander iets doet wat we zelf niet zo snel zouden bedenken en doen. En dan natuurlijk andersom: in hoeverre zijn we in staat om ideeën van een ander als mogelijkheden te beschouwen, ze serieus te nemen en te overwegen als alternatief voor onze eigen ideeën?

Bestaat er een wereld buiten ons eigen denken en over dat wat we eigenlijk voor ondoenlijk houden? Natuurlijk bestaat deze er: menig mens toont zijn ongenoegen over zaken die we zelf niet echt zouden willen of daden die we zelf liever niet zouden uitvoeren. Dit alles blijkt uit het feit dat er heel wat geroddeld wordt. Of dient de roddel om onszelf in een beter perspectief te plaatsen, door te vertellen wat een ander doet en dit gelijk af te keuren, terwijl we het heimelijk zo vinden, overwegen of zelfs al uitvoeren?

Onnozel oordelen

"het is … heel onnozel iets te veroordelen dat je noch uit eigen ervaring kent, noch bij monde van een ander"

Michel de Montaigne (1580)

Michel de Montaigne schrijft dit in een van zijn essays in relatie tot de dood. Iedere uitspraak die wij doen over de dood is onnozel omdat we de dood noch uit ervaring noch bij monde van een ander kennen. We kunnen wellicht wel het proces dat eraan vooraf gaat kennen, omdat we dit kunnen bekijken en kunnen luisteren naar wat een stervende ons te vertellen heeft.
Maar geldt dit citaat niet altijd? Een oordeel veronderstelt kennis, de ervaring gaat over zelf opgedane kennis, het verhaal van de ander gaat over de ervaring die hij zelf heeft opgedaan en als kennis overdraagt. Het lijkt er dus op dat De Montaigne de ervaring als belangrijkste bron van kennis ziet en niet het denken.