Bergson: "there is no common measure between mind and language."

Een spookachtig bestaan

In De ogen van Plato staat een bijzonder stukje tekst, namelijk: Wat geen schaduw heeft leidt een spookachtig bestaan. Graag wil ik dit stukje plaatsen naast een stukje over de zon op volle middag, zo ter hoogte van de evenaar, een tekst die te vinden is in zijn inleiding in de verwondering. Deze zon is zo fel en plaatst aldus de dingen zo in het volle licht dat ze nauwelijks nog een schaduw hebben (allen onder het ding). En hierbij wil ik graag de allegorie van de grot van Plato in herinnering brengen waarin de ‘gevangenen’ op weg naar het licht is, om uiteindelijk in de zon te kunnen kijken.
Drie stukjes tekst over schaduw en licht die elkaar lastig lijken te verdragen, maar wel binnen hetzelfde gedachtegoed, namelijk van Verhoeven, een plek hebben. Hoe dit te rijmen? of te belichten? Vanuit de metafysische gedachte en de verwondering om het dat er iets is, heeft de werkelijkheid een schaduw, het zonlicht schijnt er niet doorheen.
Hiermee lijken we met Verhoeven een wereld in te stappen van de dingen, concepten hebben dan een spookachtig bestaan. Of zou je kunnen zeggen dat ook concepten een schaduw hebben? Zaken als macht hebben wel degelijk hun weerslag in de werkelijkheid. We spreken dan over een figuurlijke schaduw. Maar ook dat wat schijn is, kan zeer hardnekkig zijn en een figuurlijke schaduw hebben.
De zon, het in het volle licht plaatsen verwijst wellicht ook naar de scheermesmethode die Verhoeven toepast. In zijn beschouwen probeert hij alles weg te snijden wat er niet werkelijk toe doet, wat niet een wezenlijk deel uit maakt van dat wat is. De felle zon doet alles wat er niet toe doet verbleken. In de allegorie staat de zon voor het kale, het zuivere iets, dat wat niet meer te herleiden is tot iets anders, het essentiële en universele tegelijkertijd. Een toestand die niet te realiseren is.