Bergson: "there is no common measure between mind and language."

Onnozel oordelen

"het is … heel onnozel iets te veroordelen dat je noch uit eigen ervaring kent, noch bij monde van een ander"

Michel de Montaigne (1580)

Michel de Montaigne schrijft dit in een van zijn essays in relatie tot de dood. Iedere uitspraak die wij doen over de dood is onnozel omdat we de dood noch uit ervaring noch bij monde van een ander kennen. We kunnen wellicht wel het proces dat eraan vooraf gaat kennen, omdat we dit kunnen bekijken en kunnen luisteren naar wat een stervende ons te vertellen heeft.
Maar geldt dit citaat niet altijd? Een oordeel veronderstelt kennis, de ervaring gaat over zelf opgedane kennis, het verhaal van de ander gaat over de ervaring die hij zelf heeft opgedaan en als kennis overdraagt. Het lijkt er dus op dat De Montaigne de ervaring als belangrijkste bron van kennis ziet en niet het denken.

kennis van de ander

"Een mens kan alleen maar gekend worden uit de werken die hij voortbrengt."

Spinoza (1670)

Uitgangspunt in dit citaat is de persoon die kent en niet de persoon die gekend wordt. We kunnen een mens alleen maar leren kennen door dat wat hij laat zien in de wereld. 'werken' is dus een veel-omvattend woord. Het beschrijft alle daden en woorden. Intenties en gedachten van een ander kunnen we dus alleen maar kennen via het spreken van de ander. En het is dan maar de vraag of het spreken in overeenstemming is met de gedachten. Overigens lijkt Spinoza er vanuit te gaan dat de mens zijn denken noch zijn spreken kan controleren. De kans dat iemand dus iets anders zegt dan hij denkt is niet zo bijster groot. Liegen vraagt niet voor niets om een goed geheugen, net zoals logisch redeneren.
De werken die iemand aan de dag legt, zouden wat mij betreft vooral feitelijkheden beschrijven, toch ziet Spinoza dit anders. Iets verderop in dezelfde tekst schrijft hij namelijk dat liefde, blijheid, vreedzaamheid, lankmoedigheid, welwillendheid, goedheid, trouw, zachtzinnigheid en ingetogenheid tot het werk behoren. Enkele van deze tonen zich in werken, maar anderen lijken veeleer betrekking te hebben op de intenties waarmee iets gedaan wordt. En intenties blijken niet sec uit de werken, hoogstens uit de mondelinge toelichting die iemand hierbij geeft. En daar moeten we het dan maar mee doen, tenminste als we de ander willen leren kennen.

Kennis, werkelijkheid en geluk

"Er bestaat geen kennis van de intrinsieke aard van de werkelijkheid los van zijn relatie tot de wensen en belangen van menselijke individuen."

Richard Rorty (1991/1993)

Wellicht is dit niet zo’n bijzonder citaat, hoewel het natuurlijk altijd wel een interessante gedachte is om vast te houden wanneer iemand stelt dat iets waar is. Heidegger stelt iets vergelijkbaars, namelijk dat geen waarheid is voordat er een Dasein is.
Wat zo bijzonder aan deze uitspraak is, is dat het zoeken naar kennis en geluk in de kern dus hetzelfde is; er bestaat geen fundamenteel verschil tussen het zoeken naar waarheid en het zoeken naar geluk. Behalve dan dat geluk algemener is. Beiden vinden hun oorsprong in wensen, verlangens en belangen.

Goed en Geleerd

“Wie goed is, is niet steevast geleerd en wie geleerd is, is niet steevast goed”

Erasmus (1520)

Eigenlijk wilde ik hier een ander citaat plaatsen nl. “Geleerdheid is kil, blind en gebrekkig als ze niet door de muzen wordt gevoed”. Hierbij kwam direct de vraag op ‘wat kan ik daar nu mee?’ Muzen, zijn dat de poëzie, literatuur en kunsten of hebben de muzen wellicht betrekking op wat we tegenwoordig gedrevenheid en passie noemen?

Beide citaten komen uit antibarbari (boek tegen de barbarij) van Erasmus, waarin de goddeloosheid, de onwetendheid en de gebrekkige moraal van de tijd aan de kaak worden gesteld. Met name de teneur van de verachting van kennis en moraal wordt kritisch beschouwd. Erasmus komt tot de conclusie dat een mens louter iets kan verachten wat hij bezit, iedere andere vorm van verachting is een afgeleide van afgunst, de wens het wel te bezitten maar niet te hebben. Verachting is dan een specifieke vorm van ressentiment met de bijkomende moraal.

Deze twee citaten tonen duidelijk de pijlers van het humanisme (met de zeven vrije kunsten) waar Erasmus voor staat: een algehele ontwikkeling intellectueel, cultureel en moreel.

kennis over iemand

"Symbolen en gezichtspunten plaatsen mij dus buiten hem; zij leveren mij van hem slechts, wat hij gemeen heeft met anderen en wat hem niet eigenlijk toebehoort"

Henri Bergson (1923)

In de eerste pagina’s van zijn inleiding tot de metafysica vraagt Bergson zich af wat de relatie is tussen kennis en dat wat we willen kennen. Als je kennis zoekt over het bestaan op zich dan ga je een specifieke relatie aan met dat wat bestaat (en niet bestaat). Kun je door het verkrijgen van kennis doordringen in datgene wat je wilt kennen? Het citaat betreft zijn gedachten inzake het kennen van een persoon en deze kennis wijkt natuurlijk in de kern niet af van de kennis van/over een bestaand iets. Hij concludeert dat beelden (beschrijvingen, symbolen en gezichtspunten) altijd onvolmaakt zijn in vergelijking met het specifieke voorwerp en de persoon zelf. Deze zijn namelijk volmaakt in wat ze zijn.

Wat gebruiken we als uitgangspunt van ons handelen, de beelden of het zijn?