Bergson: "there is no common measure between mind and language."

Vrijheid van godsdienst en de wet

"Whatsoever is permitted unto any of his subjects for their ordinary use, neither can nor ought to be forbidden by him to any sect of people for their religious uses."

John Locke (1689)

Dit citaat heeft betrekking op vrijheid van godsdienst en is te vinden in A letter concerning toleration. John Locke schreef hierover in 1689, nadat hij een tijd in Nederland had gewoond. De kern van zijn gedachten van vrijheid van godsdienst is verwoord in dit citaat, wat verder wordt toegelicht in een wat uitgebreidere paragraaf:

"By this we see what difference there is between the Church and the Commonwealth. Whatsoever is lawful in the Commonwealth cannot be prohibited by the magistrate in the Church. Whatsoever is permitted unto any of his subjects for their ordinary use, neither can nor ought to be forbidden by him to any sect of people for their religious uses. If any man may lawfully take bread or wine, either sitting or kneeling in his own house, the law ought not to abridge him of the same liberty in his religious worship; though in the Church the use of bread and wine be different and be there applied tot the mysteries of faith and rites of Divine worship. But those things that are prejudicial to the commonweal of a people in their ordinary use and are, therefore, forbidden by laws, those things ought not to be permitted to Churches in there sacred rites. Only the magistrate ought always to be very careful that he do not misuse his authority to oppression of any Church, under pretense of public good."

Kern van de vrijheid van godsdienst is volgens Locke dat er op grond van godsdienst geen voorrechten, maar ook geen inperking van rechten mag optreden. Vanuit het oogpunt van religie is het niet toegestaan om iets te doen wat volgens de wet verboden is, maar het is ook niet mogelijk om iets voor religieuzen te weigeren wat volgens de wet is toegestaan. De laatste zin uit de paragraaf is een heel bijzondere, nl. dat de wetgevende macht nooit zijn macht mag misbruiken om wetten uit te vaardigen op grond van het publieke of algemene belang die louter dienen om religieuze activiteiten aan banden te leggen.