Horkheimer & Adorno: "De vloek van de niet te stuiten vooruitgang is de niet te stuiten regressie."

Leven we in een amoreel systeem?

Leven wij in een amoreel systeem? Nee, iedere mens stelt zich de vraag of hij goed of slecht gehandeld heeft.

Joris Luyendijk stelt in Dagblad Trouw van vandaag dat wij in een amoreel systeem leven. De term is wellicht niet helemaal juist, zo stelt hij, maar het is de term die in de City wordt gebruikt voor het handelen van de bankmedewerkers. Het gaat er niet om of je zelf je product zou kopen, maar of het product wettelijk is toegestaan. De enige grens die gekend wordt is of je handelen past binnen de gemaakte afspraken, regels en wetten. De kern van moreel handelen, aldus Luyendijk, zou passen binnen de uitspraak ‘wat u niet wil dat u geschied, doet dat ook een ander niet’. Maar is dit het enige morele handvat dat wij kennen? Is dit het enige morele kader dat in de afgelopen eeuwen door filosofen is geformuleerd? Om te beginnen: je houden aan de wet is ook een moreel (geaccepteerd) kader.

Persoonlijke ethiek - individueel moreel handelen - begint met de vraag die een mens aan zichzelf stelt; de vraag of hij zijn handelen goed of slecht kan beoordelen. Ik kan mij niet voorstellen - en misschien ben ik een optimist - dat mensen zich deze vraag niet stellen. Het antwoord op deze vraag is echter niet zo eenvoudig. Het antwoord is niet altijd te vinden in ‘wat u niet wil dat u geschied, doe dat ook een ander niet’. Ook een ultiem handboek met do’s en don’t’s, zoals ‘gij zult niet doden’ en ‘gij zult niet begeren wat van u naaste is’ zal niet altijd uitsluitsel geven. Soms helpt de wet bij het oplossen van dilemma’s, soms creëert de wet het dilemma.

Het eigen handelen beoordelen op goed en slecht kent altijd dilemma’s. Het dilemma dat Luyendijk aankaart is het dilemma van zorg voor de jezelf en je directe naasten (met de nodige financiële verplichten, die in de loop van de tijd zijn ontstaan) en het slechte handelen op de werkplek. Dit slechte handelen op de werkplek kent echter ook zijn nuances. Heel wat aspecten van het werk kunnen wel degelijk als goed beoordeeld worden. In zijn interview concludeert Luyendijk bovendien dat het slechte aspect van het werk op elke plek aanwezig is. Het wisselen van job, levert je dan niet het gewenste betere handelen op. Het wisselen van job, zal er wel toe leiden dat de zorg voor jezelf en je naasten direct onder druk komen te staan. Bovendien blijken ook in deze dilemma’s meerdere kaders als houvast te worden gebruikt.

Een relatief modern kader om de vraag naar het goede en slechte handelen te beoordelen is het utilitarisme. Vaak herinneren we ons maar één aspect hiervan namelijk het streven naar geluk en het vermijden van pijn. Dit wordt vaak op individueel niveau uitgelegd en wordt dan vaak ten onrechte geassocieerd met hedonisme. Het aspect dat we doorgaans uit het oog verliezen is dat oorspronkelijk het grootste geluksprincipe altijd over de grootste groep ging. En dat het geluk zelf ook gradaties kent. Er zijn verschillende vormen van blijheid, waarbij het ene blij beter is dan het andere blij. Ook het hedonisme, wat terug te voeren is tot de oude Grieken, stond niet voor een moraal die leidde tot het louter uiting geven aan persoonlijke lusten. Ze kenmerkte zich door matigheid. Alleen in matigheid kon waar geluk gevonden worden.

Het morele kader van ons huidige systeem is dit uitgeklede utilitarisme, dus in die zeer individuele vorm; namelijk het persoonlijke geluk staat boven alles. Een vorm die we ook in het neoliberalisme tegen komen: als iedereen zijn eigen belang nastreeft dan is dat uiteindelijk goed voor ons allemaal’. Dit is wel degelijk een moreel kader. Ze geeft ons namelijk houvast bij het antwoord op de vraag of ik goed of slecht gehandeld heb. Het feit dat de meeste van ons bij hun baas blijven werken ‘omdat het de hypotheek betaald en de opleiding van de kinderen betaald’ verteld ons, dat we het goed vinden wat we doen.

Wanneer we deze kaders echter aanvullen met de oorspronkelijke randvoorwaarden: de matigheid van het hedonisme of het aspect van de grootste groep en de gradaties van geluk, dan nog kun je dit niet gelijkstellen met ‘wat u niet wil dat u geschied, doe dat ook een ander niet’. Juist omdat het utilitarisme je soms vraagt iets te doen wat je liever niet wil en je kunt zelfs iets aan de ander vragen (aandoen) wat je liever niet zelf zou doen. Heel ons belastingstelsel is gebaseerd op dit aspect van het utilitarisme. Uiteindelijk dient het betalen van belasting een groter goed, namelijk het geluk van de grootste groep.

De stap van het individuele geluk naar het grootste geluk voor de grootste groep is heel wat eenvoudiger te zetten dan van amoreel handelen (omdat mensen zich de vraag niet zouden stellen) naar een gedeeld normen en waarden systeem (normen een waarden aannemen van een ander). Onze huidige moraal wordt ingegeven door het persoonlijke geluk en de groep waarom we ons bekommeren is doorgaans erg klein. Misschien kunnen we deze grens een beetje oprekken, zodat we ons uiteindelijk verantwoordelijk gaan voelen voor de grootste groep. Maar ook dan zullen we met onze dilemma’s geconfronteerd worden. Er is geen sluitend antwoord op de vraag of ik goed of slecht gehandeld heb. Maar als de ander mijn handelen als slecht beoordeeld wil dat niet zeggen dat ik mij de vraag niet heb gesteld. Er zijn gewoon heel wat linialen om ons handelen langs te leggen en iedere liniaal leidt tot persoonlijke dilemma’s. Utilitarisme is er maar eentje, de wet is een andere, en dan mag ik de de plichten-ethiek van Kant natuurlijk niet vergeten.
blog comments powered by Disqus