Horkheimer & Adorno: "De vloek van de niet te stuiten vooruitgang is de niet te stuiten regressie."

Oeteldonkse integratie-problematiek

De Oeteldonkse Club staat een mooi Carnavalsfeest voor, met een eigen verhaal en een eigen stijl. Een feest dat door heel wat Oeteldonkers wordt gedragen, hiervan getuigen de driekleur, de badges en de kielen en jasjes die ook door niet-leden van Oeteldonkse Club gedragen worden. En hoewel het derde gebod van de 11 geboden van de OC iets stelt in het kader van gelijkwaardigheid blijkt dat in de praktijk toch niet altijd mee te vallen.

Niet iedereen in Oeteldonk toont de driekleur en/of het passende tenue. Niet iedereen past zich aan, aan de mooie gebruiken van het Oeteldonkse feest. En dat heeft consequenties, zo blijkt. Bij een vol cafe krijgen Oetelonkers die zich tooien in een traditioneel Oeteldonks tenue voorrang. Heel wat van deze Oeteldonkse boeren en durskes beklagen zich ook over ‘die buitenlanders’ die ons mooie feest een minder mooi randje geven. De politie concludeert dat de meeste aanhoudingen ‘buitenlanders’ betroffen. Ze maken zooi, dragen rare (ordinaire en lelijke) pakjes, zijn de driekleur ‘vergeten’, vertonen agressief gedrag, komen voor de drank en de seks, geven niets om de muziek van de clubkes, etc.

En of dit nu waar is of niet, op zich maakt dat niet zo heel veel uit, wat het vooral toont is de wens van de één om zich aan te passen terwijl de ander zijn eigen feestje viert en dat niet iedereen daar even gelukkig mee is. Mijn eigen beleving is niet veel anders. Als ik mensen zie lopen met een blauw of rood strak pak tot over hun hoofd, waardoor ik hun gezicht niet kan zien, dan voel ik mij niet op mijn gemak. Vormt de betreffende persoon een bedreiging voor mij of niet? Het bedekte gezicht ontneemt mij de mogelijkheid de gezichtsuitdrukking, wat toch de eerste communicatie is, te lezen en zo te weten of de persoon mij (on)vriendelijk gezind is. Ik moet mijn best doen om mijn feest-vreugde niet te laten bederven door walgelijke tenues met opplakborsten en stijve penissen. Ik maak me al gauw zorgen om iemands gezondheid en persoonlijke veiligheid, zeker als het om relatief jonge meisjes gaat, wanneer hun tenue toch vooral uit weinig stof bestaat. Ik moet mij dan inhouden om mijn prachtige rood-wit-gele-sjaal niet af te geven. Misschien dat ik het volgend jaar toch maar eens een doos sjaals meeneem en ga uitdelen. Ik baal nog veel meer van ongewenste intimiteiten van volstrekte vreemden. En dan heb ik het nog niet over urineren tegen gevels en het spontaan uit de handen laten vallen van (plastic) glazen, frietbakjes en ander afval. Als lid van de Oeteldonkse Club kan ik mij gelukkig aan al deze buitenissigheden onttrekken door vooral feest te vieren in het Amadeiro-huis en de verdere feestlocaties met veel zorg uit te zoeken.

Het geeft mij toch ook wel te denken. Waarom heb ik er moeite mee als iemand op zijn eigen manier invulling geeft aan het carnavalsfeest? Als iemand graag vulgair en/of schaars gekleed gaat, waarom keur ik dat af? Als iemand graag zijn afval uit zijn handen laat vallen, waarom zou ik dat erg vinden? Waarom plaats ik altijd een opmerking richting diegene die tegen een gevel urineert? Ok, de lekke fietsband die steevast ieder jaar in de week na carnaval ‘spontaan’ ontstaat is natuurlijk niet zo handig, maar is dat echt erg? De stad is al gauw weer schoon en de ergste rotzooi wordt zelfs dezelfde nacht al weer door de stadsreiniging opgeruimd. Waarom vind ik het moeilijk dat iemand een ander carnavalsfeest in hetzelfde ‘dorp’ viert dan ik?

Toch openbaart zich hier wellicht de integratie-problematiek in het klein. De Oeteldonkse Club staat voor een verhaal, voor omgangsvormen, voor een specifieke vorm van drie dagen feest. Met elkaar spelen we een spel en dit spel heeft zijn eigen regels. En een spel is alleen maar leuk als iedereen meespeelt en je niet aan de regels houden is al gauw spelbederf. Is samenleven ook zo’n spel? Kunnen we net zoals bij de deur van het cafe mensen buiten de deur houden op het eerste gezicht louter op basis van de kleding die ze dragen? Kunnen we net zoals bij de deuren van het Amadeiro-huis de mensen buiten houden omdat ze niet het juiste pasje hebben? In Oeteldonk vinden we dit normaal omdat dit onze feestvreugde (levensvreugde) verhoogd, maar in onze grote samenleving moet ruimte zijn voor iedereen, ongeacht kleding, pasje, taalgebruik, etc. Toch is ook in die samenleving de kans groot dat we ons niet zo op ons gemak voelen wanneer iemand zich anders gedraagt, kleedt of praat. Het is dan ongepast als we die andere die anders doet buiten sluiten of van hem eisen zich aan te passen. In Oeteldonk voelen we dat dat wat eigen is fijn en vertrouwt voelt en dat wat anders is heel soms tot nieuwsgierigheid leidt maar vaker tot onbegrip of een gevoel van onbehagen. Hoe moeten we in het dagelijks leven met dit gevoel van onbehagen om gaan?
blog comments powered by Disqus