Horkheimer & Adorno: "De vloek van de niet te stuiten vooruitgang is de niet te stuiten regressie."

De grot van Plato

Mijn voorgaande blog ging voornamelijk over de bewoners van de grot. Een setting die voor de buitenstaanders als gevangenschap voorkomt en voor de bewoners als gewoon. Waar houden de bewoners zich mee bezig? Hun dagelijkse activiteit bestaat uit het benoemen en voorspellen van schaduwen. Tenminste gezien door de ogen van de buitenstaander. Eerst nog maar even de situatie schetsen.

De bewoners zitten met hun rug naar een muurtje. En ze kijken naar een rechte (verticale) rotswand. Achter het muurtje bevindt zich een weg, waar mensen overheen lopen met afbeeldingen van dingen boven hun hoofd. Aan de andere kant van de weg (dus niet aan de kant waar het muurtje is) is een vuur. Dit vuur zorgt voor schaduwen op de rotswand van de afbeeldingen van de dingen die de wandelaars dragen.

Ook deze situatie doet wat vreemd voor. Waarom zou je als mens over een pad door een tunnel lopen met afbeeldingen van dingen boven je hoofd? Ik zou me kunnen voorstellen dat het voor deze wandelaars inderdaad gewoon een tunnel door een grot is, verlicht door het vuur. Wellicht weten ze niet eens dat er mensen gebonden zitten aan de andere kant van het muurtje. De wandelaars keuvelen er ook lustig op los. Een geluid dat wordt weerkaatst door diezelfde rotswand als waar de schaduwen zich op bevinden. Wederom is dit alles moeilijk als werkelijkheid voor te stellen. Maar, het betreft een allegorie, het is dus ook niet de bedoeling om de werkelijkheid te schetsen, maar wel om iets in de werkelijkheid uit te leggen.

De bewoners van de grot (gebonden aan handen en voeten) houden zich bezig met het voorspellen en het benoemen van de schaduwen. Het gekeuvel van de wandelaars, dat wordt weerkaatst door de rotswand wekt de indruk dat de schaduwen het geluid veroorzaken. Er sprake van een combinatie van beeld en geluid in deze - letterlijk - voorgehouden wereld.

Het is een heel competitieve leefomgeving. De bewoners bekwamen zich in hun voorspellend vermogen en hij die het beste voorspelt heeft het meeste aanzien. Als buitenstaander is het al 'triest' om te zien dat mensen schaduwen van afbeeldingen voor de werkelijkheid houden, het is nog triester om deze dagelijkse activiteit tot zinnige activiteit te moeten betitelen.

Beeld en geluid - het gekeuvel van de wandelaars - vertonen totaal geen relatie. Hoewel Plato zich niet bezig hield met de logica. We komen dit pas tegen bij Aristoteles, voelt het wat ons betreft - gewoon als we zijn aan oorzaak en gevolg - wel heel bizar. Het is alsof je het geluid van je iPod of radio afspeelt en dit onlosmakelijk verbindt met de specifiek mensen die langs het terras lopen waar je toevallig een kop koffie drinkt.

Nu klinkt dit voorbeeld - koffie, terras, passanten, eigen muziek - als buitengewoon ridicuul, en zo zullen we dagelijkse activiteit van deze mensen in de grot dus ook bezien. De zin van Socrates 'deze mensen lijken op ons' doet dus weer een heleboel vragen stellen. We hebben niet alleen een tunnelvisie, maar leggen ook - noodzakelijke - verbanden tussen zaken die niet verbonden zijn. Je kunt je afvragen hoe eervol het is, wanneer je resultaten behaald die meer van de omgeving afhangen dan van je eigen kwaliteiten en activiteiten. Maar ook, hoe vaak maken we ons druk om zaken waar we helemaal geen invloed op uit kunnen oefenen of worden we beloond voor prestaties die niet de onze zijn?

De mensen in de grot houden zich bezig met een schimmenspel, gekeuvel en voorspellen dan de toekomst. Zijn onze dagelijkse activiteiten wezenlijk anders? Bevrijding is zoeken naar juiste en zuivere beelden en staat voor het leggen van juiste relaties en verbanden. Niet de werkelijkheid veranderen, maar hier anders naar kijken.
blog comments powered by Disqus

De grot van Plato

Gisteren, in de Sprong in Geldrop, gesproken over de Grot van Plato. Een heel bijzondere, en ik mag wel zeggen intense avond. De komende dagen volgt een kort verslag.

De allegorie van de grot staat in de Politeia (staat) van Plato. Socrates legt aan de hand van deze allegorie (samen met de vergelijking van de lijn en een uitleg van de relatie tussen kijken en het licht) uit hoe de mens leeft, namelijk in een grot, en hij wijst erop dan die mens in de grot op weg moet naar de uitgang.

Socrates schets een heel wonderlijke setting, een absoluut ongeloofwaardige situatie: De mensen zitten in een grot (onderaardse ruimte). Ze zijn gebonden aan hun hoofd en hun voeten - hun handen zijn vrij -, zodat ze niet van hun plaats kunnen komen en hun hoofd niet kunnen bewegen.

Deze setting is zo wonderlijk omdat ze als zodanig eigenlijk onleefbaar is. Hoe kun je voor jezelf zorgen als je zo gebonden bent. De losse handen geven nog wel wat ruimte voor activiteiten, maar door het gebrek aan bewegingsruimte is dit toch zeer beperkt. Een van de eerste reacties was 'hun handen zijn vrij, ze kunnen zichzelf bevrijden'. Het is ook een setting die om bevrijding vraagt. Wij zien ze duidelijk als gevangenen. De vraag die hierbij opkomt is: zien zijn zichzelf als gevangenen? Hebben ze zelf de behoefte om zich te bevrijden?

De setting is voor de 'bewoners' zodanig gewoon dat ze er niet aan denken dat hun situatie ook wel anders zou kunnen zijn. Of met andere woorden: zouden wij, hier nu bij elkaar zittend, er niet net zo aan toe zijn als deze mensen in de grot? Zonder dat we er erg in hebben zitten we gevangen en kijken in één richting en komen eigenlijk niet van onze plaats? Dit werd al snel vergeleken met een tunnelvisie. De grot en zijn bewoners wordt alleen door een buitenstaander (allochtoon) herkent als grot met gevangenen. Wellicht zijn er wel mensen buiten ons die zeggen: "nou nou, die zit gevangen in zijn gedachten en zijn leven." En kennen wij niet mensen waarvan wij dat denken?

Onze bewoners van de grot zien schaduwen voor zich tegen de muur waar ze naar kijken. Dit zijn schaduwen, veroorzaakt door een vuur en door mensen die afbeeldingen omhoog houden. Vergelijkbaar met wajang-poppen. Door het dansen van de het vuur en de afstand veroorzaakt dit maar vage schaduwen op de muur. Voor de bewoners is dit hun werkelijkheid. Het is alsof ze heel de dag naar een televisie kijken met een vaag zwart wit beeld. En wat ze zien en horen is hun werkelijkheid. Er wordt hen iets voorgehouden. Is dit vergelijkbaar met onze soaps op televisie en het geloof dat dit werkelijkheid is? Of het zien van films, zoals Harry Potter, als we deze magische wereld voor waar houden, doen we dan niet hetzelfde als de mensen in de grot?

Plato wekt de suggestie dat zijn tijdgenoten door sofisten een schijnwereld krijgen voorgespiegeld. Hoe zit dat met ons? Hoe weten wij of het journaal schijn of werkelijkheid toont. Nog steeds zijn er massa's mensen die geloven dat we nooit op de maan zijn geweest. Maar ook, hoe lang is ons voorgehouden dat de wereld plat is, terwijl reeds bewezen was dat ze rond is? Welke schijn houden wij voor waar?

Op deze manier wordt de situatie in de grot een herkenbare situatie in ons eigen dagelijks leven. Wellicht dat onze invulling iets anders is dan Plato zou willen. De gevangenschap die ontstaat als een beperkte of eenzijdige of zelfs foutieve visie op de werkelijkheid kunnen we ons wel voorstellen. Ook het fenomeen dat de wereld wordt voorgespiegeld is herkenbaar.

Een belangrijk element in het verhaal van Plato, is niet zozeer dat dit onjuist is, maar vooral dat dit voorlopig is, of toch op zijn minst zou moeten zijn. De permanentie van de kijk op de wereld is de kern van de gevangenschap. De gedachte 'het zou ook anders kunnen zijn' is de bevrijding. Deze gaat op zoek naar een andere blik op de werkelijkheid (niet naar een andere werkelijkheid).

tot zover.... en wordt vervolgd ....
blog comments powered by Disqus

Het is ongezond medici te wantrouwen

Vandaag in het Brabants Dagblad - Jacomijn Hendrickx -

Het is ongezond om medici te wantrouwen

De laatste weken worden we overspoeld signalen die stellen dat we de griepprik moeten wantrouwen. En ook de medische sector in zijn geheel wordt in een kwaad daglicht geplaatst. Dit doet ons echter meer kwaad dan goed. We zijn niet gebaat bij wantrouwen in de medische sector. Wantrouwen is geen fijn gevoel, zeker niet als je bent aangewezen op die betreffende persoon voor je eigen voortbestaan. Bij ziekte ben je aangewezen op een arts. Als je je arts wantrouwt dan kun je een andere arts zoeken. Maar als je alle artsen wantrouwt, waar moet je dan naar toe, als je ziek bent? Algeheel wantrouwen in de medische sector leidt tot algehele wanhoop: ‘wat te doen bij ziekte?’.

Een kritische houding kan nooit kwaad. Maar kritisch zijn is iets anders dan wantrouwend zijn. Kritiek is gebaseerd op kennis. Er is alleen ruimte voor wantrouwen en vertrouwen als er geen kennis is. Vertrouwen en kennis vormen een weegschaal. Aan de ene kant staat vertrouwen en aan de andere kant kennis. Naarmate onze kennis minder wordt zijn we aangewezen op vertrouwen. Naarmate onze eigen kennis meer wordt, zullen we minder vertrouwen en meer samenwerken op grond van weten. Wanneer ik ziek ben, dan ga ik naar de dokter. Hij weet aanzienlijk meer over menselijke ziekten en mijn gezondheid dan ik. Ik ben aangewezen op zijn kennis en ik moet hem vertrouwen. Ik kan mijn arts niet controleren, daartoe ontbeer ik de kennis. Een arts die bij een collega te rade gaat zal dit veeleer doen op grond van zijn kennis, hij weet wat hij aan de ander heeft. Op grond van zijn eigen kennis, kan hij het werk van de ander kritisch beoordelen.

Alleen een deskundige kan dus met recht zeggen of mijn arts mijn vertrouwen waard is, alleen een deskundige kan kritisch zijn. De deskundige heeft de kennis die ik ontbeer. Het wantrouwen dat gezaaid wordt, wordt niet gezaaid door artsen of door wetenschappers, maar door mensen, die net als ik, geen medische achtergrond hebben. Vaak wordt er wel naar wetenschappelijk onderzoek of naar artsen verwezen die zeggen kritisch te zijn. Gek genoeg veronderstelt dit hetzelfde vertrouwen. De arts of wetenschapper die tegen de griepprik is wordt wel vertrouwd en de arts of wetenschapper die voor de griepprik is niet. Het gaat hier nog steeds over de ene kant van de weegschaal, namelijk de vertrouwenskant. Beide kanten kunnen niet door de wantrouwende getoetst worden, alleen de wetenschapper kan dit op grond van zijn kennis. De wantrouwende zoekt bevestiging van zijn wantrouwen en hiervoor moet hij anderen vertrouwen. Het wordt dus een strijd tussen mensen die het vertrouwen waard zijn. Maar het is nog steeds dezelfde weegschaal.

Het zaaien van wantrouwen is erg belangrijk voor diegene die wantrouwend is. De wantrouwende heeft namelijk een probleem. Hij weet niet wat hij moet doen: wel of geen griepprik halen, wel of niet zijn dokter vertrouwen. Dit heeft een extra angst ‘wat als ik toch ziek wordt?’ tot gevolg. Dit vervelende gevoel moet worden opgeheven. Wanneer iedereen in de omgeving overgaat tot het halen van een griepprik, dan wordt de angst alleen maar groter. Die anderen moeten dus ook wantrouwend worden. De eenzaamheid moet worden opgeheven. Er wordt dus gezocht naar onderbouwingen van het wantrouwen, van een het beperkte risico als de griepprik niet gehaald wordt en van de grote risico’s van het halen van de griepprik. Deze onderbouwingen worden niet door eigen kennis ondersteund, maar door anderen te vertrouwen. En dan, als het wantrouwen volledig is, dan moeten zieltjes gewonnen worden. Hoe meer mensen wantrouwen, hoe juister het wantrouwen wordt: ‘zie je wel dat ik gelijk heb, zij vinden het ook’.

De weegschaal kennis en vertrouwen blijft onveranderd; De griepprik kan zowel vertrouwd als wantrouwd worden. Daar kan ik niet zo veel aan veranderen. De enige houvast die ik heb, zijn de belangen die worden nagestreefd. Een wantrouwend iemand dient zijn eigen belang, namelijk zijn wantrouwen ondersteunen. Een medische wetenschapper dient het belang van de patiënt, met al de kennis die hij heeft. Er rest mij, als (potentiële) patiënt, dus niets anders dan zelf de wetenschapper te vertrouwen. Bovendien is het dwaas te vertrouwen op een ander die net als ik niet weet.
blog comments powered by Disqus