Horkheimer & Adorno: "De vloek van de niet te stuiten vooruitgang is de niet te stuiten regressie."

Taalfilosofie met Excalibur, Mozes en pijn

Na het bestuderen van Wittgenstein's Filosofische Onderzoekingen, lazen we deze tekst gisteren in mijn huiskamer. Ik had drie stukken tekst geselecteerd: over het zwaard Excalibur, over "Mozes heeft niet bestaan" en over Pijn.

"Het zwaard Excalibur heeft een scherpe snede" is deze zin onzin als het zwaard in duigen ligt? De tekst gaat over samengesteldheid en enkelvoudigheid. Is een stoel of het zwaard Excalibur samengesteld of enkelvoudig? De stoel is voor mij, als ik erop wil gaan zitten enkelvoudig, voor de timmerman die hem wil namaken samengesteld (hij bestaat uit verschillende onderdelen). Of iets is opgebouwd uit meerdere onderdelen (lees: samengesteld) is dus afhankelijk van de context waarin we het beschouwen en/of gebruiken. De vraag of iets is samengesteld kan dus alleen beantwoord worden met de wedervraag: "wat versta je onder samengesteld?"

Waarom is dit een issue? Waarom besteedt Wittgenstein hier aandacht aan? Volgens mij is dat als volgt. Alles is opgebouwd uit onderdelen (bijvoorbeeld atomen). Deze onderdelen krijgen een naam (een eigennaam) zonder dat we dat verder kunnen definiëren, zo legt ook Socrates uit. In het gebruik van taal blijkt echter dat er heel wat meer zaken zijn die we niet kunnen definiëren, hoogstens door het gebruik (ostensieve definitie) zoals "rood", "bezem" of "Exalibur". Het doet mij ook denken aan "dinosauriër" of "eenhoorn". We kunnen erover spreken, maar kunnen niet expliciteren wat het nu is, we kunnen er een plaatje van tekenen en er ons van alles bij voorstellen maar hoe weten nu dat dat juist is? En als we niet zeker weten of het juist is, heeft het dan zin om erover te spreken?

Aan de hand van de zin "Mozes heeft niet bestaan" vraagt Wittgenstein zich af of dit een zinnige of onzinnige zin is. De bijbelse persoon Mozes kan op zo veel verschillende manieren gepersonifieerd worden, en dus bepalen of de zin "Mozes heeft niet bestaan" juist is.

Wittgenstein zoekt met deze zin de grenzen op van het fenomeen "de persoon Mozes" Wanneer is hij nog Mozes en wanneer niet? Moet hij als kind in een mandje gevonden zijn? Moet hij de zee gespleten hebben? Moet hij de leider geweest zijn van het Joodse volk? Wat is wezenlijk Mozes?

Een ander voorbeeld, de zin "mijn vader is dood". Als nu na zijn dood blijkt dat dit niet een biologische vader was, maar wel de man die de vadertaken op zich nam in het dagelijks leven. Kan dan nog gezegd worden "mijn vader is dood" of is dat dan onzin geworden? Wat zijn de hoofdzaken van vader-zijn en Mozes-zijn en wat zijn bijzaken? Wat maakt iets van zin tot onzin bij het spreken.

Aan de hand van pijn legt Wittgenstein uit dat gewaarwording een individuele ervaring is. Zo kun je op de kalender bijhouden, bij ziekte waneer een bepaald gevoel van pijn op een specifieke plek optreedt. Je kunt dit doen door op de kalender een "☆" te zetten of gewoon de letter "G". Wat zegt dit nu? En kan een ander begrijpen wat je dan hebt? En weet je zeker of je bij de gewaarwording aan het het einde van de maand hetzelfde voelt als bij je eerste gewaarwording in die maand? Hoe weet je of je je kalender juist hebt bijgehouden en of je ook niet nog andere symbolen nodig had omdat het toch verschillende gewaarwordingen waren.

Het corresponderen van een woord met een ding, bijvoorbeeld brood of rood, kan aan de hand van een staalkaart (een afbeelding met een tekst). Dit kun je fysiek in de wereld doen, door de zaken aan te wijzen, je kunt een kaart maken en deze in de hand houden. Maar als ik deze kaart nu in mijn hoofd controleer? Hoe weet ik dan of ik het juist heb? En hoe weten we of iedereen een gelijke kaart in zijn hoofd heeft?

We begrijpen een woord door het gebruik in de taal (de ostensieve definitie). Wittgenstein noemt dit een taalspel en dit is een levensvorm. Afhankelijk van de levensvorm krijgt een woord een betekenis, zonder dat we dit kunnen controleren of verifiëren. Het is een onbesproken aanname. En doorgaans werkt dat prima wanneer we elkaar iets willen mededelen.

Veel filosofische problemen verdwijnen echter omdat het om grammaticale problemen blijkt te gaan. Zo kan ik denken en weten. Maar ik kan niet weten wat ik denk. Ik kan wel weten wat jij denkt, tenminste, als je me dat verteld hebt.
blog comments powered by Disqus