De valse schijn van het nu die zo heerlijk verleidt

Recentelijk kwam ik weer zo’n bordje tegen langs de weg “let op, verkeerssituatie gewijzigd” waarbij ik mij dan altijd afvraag wat er dan precies gewijzigd is; mijn aanwezigheid, de kleur van het verkeerslicht, het patroon van de stenen van het trottoir, de weersomstandigheden? En ik hoor u al denken ‘de kruising is recentelijk opnieuw ingericht en zo wordt de automobilist erop geattendeerd dat er zaken veranderd zijn, waardoor de verkeerssituatie als geheel om een andere inschatting vraagt’.

Een dergelijk bordje toont vooral hoe we ons leven inrichten op basis van dat wat is én dat dit ook nog even zo zal zijn.

Het zijn van vandaag wordt voor waar aangenomen, niet alleen voor nu maar ook voor het zijn van morgen, overmorgen, volgende week, volgende maand, ja zelfs volgend jaar of nog verder weg. Zelfs de simpele uitspraak ‘tot straks’ of ‘tot later’ veronderstelt dat de betrokkenen er vanuit gaan dat er een later is waar ze allebei deel van uit maken. Zou het Duitse Grüß Gott iets anders veronderstellen? Als we een afspraak maken verschijnt er niet een bordje met de tekst “let op, de situatie kan dan wel eens gewijzigd zijn”.

Het zijn is heel vanzelfsprekend, het niet-zijn niet. Maar dit kan ook precies andersom zijn. Soms is het niet-zijn zo vanzelfsprekend dat we compleet verrast zijn als er blijkt toch iets te zijn. De eerste keer dat we geconfronteerd worden met diefstal, ernstige ziekte, fraude, brand, kortom die zaken die vaak niet-zijn, is dit een heel heftige confrontatie met dat wat er eerst niet was. We verwachten in ons dagelijks leven dat dat wat is blijft, en zo gaan we er ook vanuit dat dat wat niet-is ook niet zal verschijnen. De overgang tussen zijn en niet-zijn is erg hard, en de richting maakt niet uit. En bordjes zijn er meestal niet, laat staan een waarschuwing vooraf. Dat wat is dat blijft en dat wat niet is, blijft weg. En zo blijft alles zoals het is, een bordje is dus niet nodig. Tenminste dat verwachten we.

De geboorte van een kind wordt vaak als een klein wonder beleeft; eerst was er niets en toen was er opeens een mens, een kleintje weliswaar maar wel een mens. Hoe dit niet-zijn en zijn in relatie staat tot de plusminus negen maanden verpakt zijn, dat weet ik niet zo goed. Een cadeautje vinden we vaak geen wonder, het leuk verpakt zijn wakkert alleen onze nieuwsgierigheid aan ‘er is iets, en wat zal het zijn?’. Ook de veranderingen die kinderen doormaken beleven we niet als een wonder, of als een zijn dat over gaat in een niet-zijn, of een zijn dat er opeens verschijnt uit een niet-zijn. Toch hoor je ouders wel eens zeggen over de pubertijd van hun kinderen dat het ene kind niet meer is, en dat ze het kind wat er voor in de plaats gekomen is, nog niet kennen, maar toevallig wel naar dezelfde naam luistert. Maar dit gebeurt ook bij verschillende ziektes als hersenbloedingen of alzheimer. De verpakking is hetzelfde maar de inhoud is significant veranderd. Een ander mens, maar duidelijk geen wonder.

Heel ons leven krijgt vorm door een constant zijn en niet zijn. We zouden stapel gek worden wanneer dingen en mensen zomaar verschijnen en verdwijnen om daarna weer te verschijnen. De pret van een klein kind bij kiekeboe zou bij een werkelijk verschijnen en verdwijnen en verschijnen compleet tot wanhoop drijven. De constante factor biedt zekerheid. We weten dat iemand die uit zicht is gewoon blijft bestaan, we zijn dus ook niet verbaasd wanneer hij weer verschijnt. We zijn wel verbaasd wanneer deze persoon niet meer verschijnt, zeker wanneer we hem wel verwachten.

Is de vanzelfsprekendheid die hiermee gemoeid is, niet een beetje te van zelf sprekend? Plato zag filosofie als leren sterven. Wellicht is filosofie nog veel meer leren omgaan met de verpletterende effecten van het zijn en het niet-zijn, en dan vooral als het even daarvoor precies andersom was. Zelfs een gedachten-experiment ‘wat als ...’ voelt zo onwennig dat we ons hier geen raad mee weten. Alleen de ervaring lijkt ons even een les te leren, waarna we weer snel over gaan tot de orde van de dag waarin het zijn en niet-zijn constant is.

We rusten vaak op dat wat is en we denken dan maar wat graag dat dit altijd zo zal zijn. We zoeken naar vaste ankers in het leven. Geen wonder dat zo’n bordje onze aandacht aanwakkert. Plato wist dat hij de rust niet in de werkelijkheid kon vinden, alleen maar in de ideeën. Toch kun je ook ook zeggen dat dat wat in de werkelijkheid is, daadwerkelijk is, en alles wat niet is, niet is. De werkelijkheid heeft echter maar een zeer beperkte houdbaarheid, ze beperkt zich namelijk tot het nu. Toch vinden we niet een ‘ten minste houdbaar tot’ op de verpakking van het zijn nu. Van melk vinden we het heel normaal dat dit beperkt houdbaar is, maar het nu extrapoleren we heel eenvoudig naar de toekomst en we vergelijken het maar wat graag met het verleden. In het nu verdwijnt en verschijnt niets, het is louter zoals het is. Een nu in de toekomst is niet te kennen en zeker niet als een constante voorzetting van dit nu. Alleen ter zijner tijd, als we zelf zijn, kunnen we het zijn van dan beleven. Het bordje heeft alleen maar waarde, wanneer we in het verleden op dezelfde plek waren, maar was die plek wel echt hetzelfde? Hoe weten we zeker dat dat wat nu is er gisteren ook was en er morgen weer zal zijn. Onze herinnering is niet feilloos en onze verwachtingen bieden geen ruimte aan dat wat we niet verwachten. Dat bordje kunnen we altijd wel met ons meedragen, zodat we onszelf constant kunnen helpen herinneren aan het feit dat dat wat is niet altijd is en dat er ook op eens iets kan zijn wat er niet eerder was.
Omdat de werkelijkheid te denken geeft