Bergson: "there is no common measure between mind and language."

De ruïne van een stad

“Waar leven we bij de ethica als in de ruïne van een stad, waarin het ene geslacht zich hier, het andere zich daar armoedig huisvest?”

Schweitzer vraagt zich in 1923 af hoe het kan, dat we in het moreel en zedelijk handelen over de afgelopen twee duizend nauwelijks tot geen vetuitgang hebben geboekt. Dit in tegenstelling tot de vooruitgang die we geboekt hebben op het gebied van wetenschap en techniek.

Gabriel, vraagt zich in zijn “Ondergang van de de wijsheid” (1965) af, wat vooruitgang precies is. In de laatste eeuwen lijkt vooruitgang louter in technisch en/of wetenschappelijk context beschouwd te worden. Deze vooruitgang wordt dan zonder enig probleem getransponeerd naar algemeen menselijke vooruitgang, maar het is maar de vraag of dat terecht is.

Wat is vooruitgang en hoe kan het dat we - als we ons moreel handelen beschouwen - niet of nauwelijks veranderen?

Denken over wat een ander doet

"Mensen die niet tot het plegen van grote misdaden in staat zijn, komen niet makkelijk op de gedachte dat anderen hiertoe wel in staat zijn"

La Rochefoucauld (1663)

Misschien is het niet zo interessant om over grote misdaden na te denken, maar het fenomeen is natuurlijk wel interessant. In hoeverre kunnen we bedenken dat een ander iets doet wat we zelf niet zo snel zouden bedenken en doen. En dan natuurlijk andersom: in hoeverre zijn we in staat om ideeën van een ander als mogelijkheden te beschouwen, ze serieus te nemen en te overwegen als alternatief voor onze eigen ideeën?

Bestaat er een wereld buiten ons eigen denken en over dat wat we eigenlijk voor ondoenlijk houden? Natuurlijk bestaat deze er: menig mens toont zijn ongenoegen over zaken die we zelf niet echt zouden willen of daden die we zelf liever niet zouden uitvoeren. Dit alles blijkt uit het feit dat er heel wat geroddeld wordt. Of dient de roddel om onszelf in een beter perspectief te plaatsen, door te vertellen wat een ander doet en dit gelijk af te keuren, terwijl we het heimelijk zo vinden, overwegen of zelfs al uitvoeren?

Het wezen van de ethiek

Het wezen van de ethiek is het intuïtieve inzicht dat er tussen ik en jij geen verschil is.

vrij naar Arthur Schopenhauer (1788-1860) en Thomas Mann (1875-1955)

Een mens zit gevangen in het principium individuationis. De mens leeft met de voorstelling dat er een wezenlijk verschil is tussen hem en de wereld. Een wereld die hij louter zelf gevormd heeft, waarin hijzelf het middelpunt vormt en waarin hij continu streeft om zelf zo veel mogelijk vrij te zijn van leed en waarin zoveel mogelijk plezier en vreugde wordt nagestreefd. Wat er met anderen gebeurt is altijd van minder belang dan wat er met hemzelf gebeurt. In wezen is de wil die alles in de wereld doet leven, een en dezelfde wil die zich op verschillende wijzen toont in individueel leven. Zo gedacht bestaat er dus geen verschil tussen ik en de wereld.

Het inzicht is intuïtief, omdat kennis van de ethiek een mens niet ethisch doet handelen, niet zoals kennis over de kunst een mens niet tot kunstenaar maakt.

Buigen voor het welzijn van de ander

Het is beter te buigen voor het welzijn van de ander dan de eigen vrijheid op te eisen.

Vrij naar Desiderius Erasmus (1520)

In deze compilatie komen een aantal kwaliteiten van de mens volgens Erasmus samen: vredelievendheid, bescheidenheid, niet oordelen (dit is niet aan de mens maar aan god), leven naar je eigen voorkeur zonder de ander voor het hoofd te stoten en deugdzaamheid. Ik vind het vooral een boeiende compilatie omdat het spanningsveld opzoekt van het opeisen van je eigen ruimte, het gaat staan voor dat wat je waardevol vindt enerzijds en anderzijds het begrip tonen voor het onvermogen van de ander om hier iets mee te doen, waardoor het gaan staan het welzijn van de ander aantast. Hiermee wordt het opkomen voor dat wat je waardevol vindt een ethisch vraagstuk omdat deze activiteit begrenst wordt door het welzijn van de ander. Soms is het verstandig om de zwakheid van de ander (voorlopig) te ontzien. Hiermee komen we in de buurt van Levinas, die heel wat eeuwen later zal zeggen dat het aangezicht van de ander een appèl doet, waardoor je deze met zorg behandelt, ook als je daarvoor (wat van) je eigen vrijheid op moet geven.

Goed en Geleerd

“Wie goed is, is niet steevast geleerd en wie geleerd is, is niet steevast goed”

Erasmus (1520)

Eigenlijk wilde ik hier een ander citaat plaatsen nl. “Geleerdheid is kil, blind en gebrekkig als ze niet door de muzen wordt gevoed”. Hierbij kwam direct de vraag op ‘wat kan ik daar nu mee?’ Muzen, zijn dat de poëzie, literatuur en kunsten of hebben de muzen wellicht betrekking op wat we tegenwoordig gedrevenheid en passie noemen?

Beide citaten komen uit antibarbari (boek tegen de barbarij) van Erasmus, waarin de goddeloosheid, de onwetendheid en de gebrekkige moraal van de tijd aan de kaak worden gesteld. Met name de teneur van de verachting van kennis en moraal wordt kritisch beschouwd. Erasmus komt tot de conclusie dat een mens louter iets kan verachten wat hij bezit, iedere andere vorm van verachting is een afgeleide van afgunst, de wens het wel te bezitten maar niet te hebben. Verachting is dan een specifieke vorm van ressentiment met de bijkomende moraal.

Deze twee citaten tonen duidelijk de pijlers van het humanisme (met de zeven vrije kunsten) waar Erasmus voor staat: een algehele ontwikkeling intellectueel, cultureel en moreel.